Baby's bewegingen
door Suzanne Baart
Kleine kinderen leren niet lopen of grijpen volgens een vastgelegd programma, maar in reactie op de omgeving. Onderzoekers aan de VU bekijken hoe dat in zijn werk gaat. Als baby niet 'op tijd' kruipt of staat, is er geen reden tot ongerustheid, zeggen zij.
Baby's horen met één maand hun hoofd rechtop te kunnen houden, bij drie maanden te reiken en bij vijf maanden hun speelgoed te kunnen pakken. Met zeven maanden moet het kind los kunnen zitten en een maand later met hulp kunnen staan. Bij veertien maanden kan het los staan en een maand later los lopen. Zo waren jarenlang de normen.
Maar de meeste kinderen houden zich daar niet aan. Volgens de nieuwste inzichten kan de sprongsgewijze ontwikkeling van baby's en peuters enorm variëren. Er zijn vluggerds en wat trageren. Sommige kinderen draaien de volgorde om of slaan bepaalde mijlpalen over. Zo zijn er die nooit kruipen, maar meteen gaan lopen.
Ouders maken zich ongerust als hun kind wat traag is in zijn motorische ontwikkeling. Ten onrechte, zegt dr. Geert Savelsbergh, bewegingswetenschapper aan de Vrije Universiteit Amsterdam. 'Er is meestal geen enkele reden voor. Elk kind heeft zijn eigen tijdschalen. Variaties, een tijdelijke terugval en plotselinge veranderingen horen, binnen bepaalde grenzen, bij een normale ontwikkeling. En juist die variaties zijn zo interessant.'
Het onderzoek naar de motorische ontwikkelingen van baby's en kleuters verkeert opnieuw in een bloeiperiode, na een tijd waarin het terrein minder in de belangstelling van wetenschappers stond. Savelsbergh en zijn groep behoren tot degenen die er momenteel mee bezig zijn.
Uit hun research blijkt dat nieuwe vaardigheden ontstaan door de omgang van het kind met zijn omgeving. Voor de motorische ontwikkeling van baby's en peuters –trappelen, reiken, grijpen, kruipen, zitten, staan, lopen- bestaat geen blauwdruk. Er is wel een soort globaal plan –uiteindelijk gaan gezonde kinderen allemaal lopen- maar er is veel individuele variatie, ook in tijd. De overgangen van het ene stadium naar het andere verlopen wel met sprongetjes, maar de tijdstippen waarop het gebeurt, zijn niet voor elk kind hetzelfde.
Diverse onderzoekers aan de faculteit Bewegingswetenschappen van de VU moeten meer duidelijkheid verschaffen over de manier waarop de motorische ontwikkeling van kinderen precies verloopt. In een van de onderzoeksruimten wordt bijvoorbeeld nagegaan hoe en wanneer een kind naar speelgoed reikt. Er is een opstelling gebouwd met een laag plafond. Aan een rail tegen dat plafond zit een stang waaraan een bal zit. De bal komt naar het kind toe, wacht even en keert dan weer terug. Als een kind dat een paar keer heeft gezien, zal het de eerstvolgende keer dat de bal eraan komt, al anticiperend naar voren buigen, naar de bal reiken en hem pakken.
In een andere ruimte is een helling gemaakt waarop het plateau omhoog en omlaag kan, dus steiler of minder steil gemaakt kan worden. De peuter die net kan lopen, wordt uitgenodigd van boven naar beneden te lopen, de helling af. De eerste keer stort het kind zich nog vol vertrouwen naar beneden, in de armen van de ouder. Maar na een paar dreigende valpartijen, zal het zich omdraaien en op zijn buik naar beneden schuiven. Niemand heeft verteld wat het moet doen. Het kind heeft zelf uitgevonden dat achterwaarts naar beneden gaan toch veiliger is.
Bewegingen, zelfs het in de wilde weg trappelen met de beentjes, zijn nooit doelloos, zegt Savelsbergh. 'Baby's zijn heel slim in hun bewegingen. Het trappelen kan gezien worden als een oefening van de spieren en de zenuwen. Het zwaaien met de armen zal na een aantal maanden resulteren in het gericht grijpen naar speelgoed. Baby's zijn eigenlijk constant bezig hun spieren, zenuwen en coördinatie te trainen. Ze zoeken de meest comfortabele positie voor hun bewegingen.'
Een kind dat thuis een houten vloer heeft, zal minder snel gaan kruipen, omdat het al tijgerend op zijn buik ook vooruitkomt. Maar bij een vaste vloerbedekking is kruipen een betere optie. Een kind dat de trap nog niet rechtop af kan, vanwege zijn korte beentjes, zal zich in het algemeen omdraaien en achterwaarts naar beneden komen.
Ook volwassenen zoeken de meest doelmatige aanpak, zegt Savelsbergh. En dat doen ze onbewust. 'Beweging ontstaat door beperkingen. Als ik mijn beker koffie wil oppakken, open ik mijn hand op het precieze formaat en vouw mijn vingers eromheen. Als het heet is, zal ik het oor pakken. Kinderen doen het zelfde met speelgoed. Een klein voorwerp zullen ze met één hand pakken, maar voor een grote bal gebruiken ze beide handen.'
Er is lang gedacht dat de motorische ontwikkeling een gevolg was van de rijping van het zenuwstelsel. Pasgeboren baby's die met de voeten op een tafel worden gezet, maken al een soort stapbeweging. Als het kind twee maanden oud is, verdwijnt dat om later weer terug te keren. Verondersteld werd dat deze bewegingen vanuit de hersenen worden bestuurd, alsof het een soort computerprogramma betreft. Het tijdelijk verdwijnen van de stapbeweging werd toegeschreven aan ontwikkelingen van de hersenen.
Savelsbergh: 'Men dacht dat de groei van de hersenen de bewegingen tijdelijk onderdrukte. Maar nu weten we dat een baby van twee maanden gewoon zwaarder is geworden. Door de vetgroei op de bovenbenen is er een relatieve afname van de spierkracht van de beentjes. Die zijn te zwaar geworden om te stappen.'
Een Amerikaanse onderzoekster ontdekte dan ook dat kinderen in water wél stapbewegingen bleven maken. Met gewichtjes aan de benen werden die bewegingen minder. Savelsbergh: 'Het is dus de zwaartekracht en de ontbrekende spierkracht waardoor de baby tijdelijk geen loopbewegingen maakt.'
Aan de VU doet drs. Juliette Vaal onderzoek naar de trappelbewegingen van baby's jonger dan zes maanden, waarop zij volgend jaar zal promoveren. Voor dat onderzoek worden vier videocamera's gebruikt. Op de beentjes worden bolletjes geplakt waardoor de bewegingen kunnen worden vastgelegd. Aan de hand van de filmbeelden kunnen de positie, de snelheid en de versnelling van de trappelbewegingen worden bekeken. Op de boven- en onderbenen zitten elektrodes die de spierkracht meten.
Vaal: 'We hebben ook één beentje verzwaard. Je ziet dan dat de bewegingen eerst gaan verschillen. Het kind heeft niet alleen meer moeite met het bewegen van het verzwaarde been, maar beweegt het niet verzwaarde been ook anders. Later is dat verschil weg. Het kind heeft zijn bewegingen aangepast.'
De fase lopen met steun tot los lopen neemt meestal enkele weken in beslag. De eerste stappen, waarbij het kind nog moet worden geholpen, zijn onvast. De benen staan wijd uit elkaar en het hoofd beweegt alsof het zoekt naar evenwicht. Maar al doende leert het kind stabieler te bewegen, totdat het met vaste tred los kan lopen.
Drs. Magdalien Waardenburg en dr. Annick Ledebt doen onderzoek naar cruisen en lopen. Cruisen staat voor lopen met hulp. Die hulp kan van een tafel komen of van een hand. In een van de onderzoeksruimten staat een plateau waaraan de peuter zich kan vasthouden. De buis meet de kracht waarmee het kind steun zoekt, maar ook in hoeverre het zijn balans zoekt.
Een ouder lokt met een speeltje het kind naar zich toe. Als het net kan lopen, zijn de bewegingen onhandig. De verkeerde voet wordt eerst voorgezet en de handen zitten elkaar op de buis in de weg. Maar na twee weken zijn de stapbewegingen al veel logischer. De voorste voet maakt de eerste beweging, waarna de achterste volgt. 'In het begin zal het kind niet meer dan één voet of hand tegelijk durven loslaten van de steun uit angst te vallen. Dat worden er, bij een betere balans, later twee', zegt Waardenburg.
Savelsbergh en zijn groep beperken zich met hun fundamentele onderzoek niet tot gezonde kinderen. Met collega's van de afdeling kinderneurologie van het Academisch Ziekenhuis van de Vrije Universiteit doen ze ook onderzoek naar kinderen die zijn geboren met een hersenbeschadiging: de PVL-kinderen.
PVL staat voor Periventriculaire Leucomalacie. Bij deze kinderen is de witte stof in de hersenen beschadigd. Het vergelijkend onderzoek van gezonde en PVL-kinderen loopt sinds 1995 en is nu in de eindfase. Voor deze research leveren bewegingswetenschappers de bewegingsanalyses en de kinderneurologen van het ziekenhuis de MRI-scans en het neurologisch onderzoek.
Onderzoekster Vaal laat op video's de verschillen zien in de bewegingen van gezonde en van PVL-kinderen. Deze kinderen zijn, afhankelijk van de ernst van de hersenbeschadiging, ingedeeld in vier groepen. Voor kinderen uit groep 4, met zeer ernstige hersenbeschadigingen, zijn de prognoses bijna altijd slecht. Ze zullen bijvoorbeeld nooit kunnen lopen of een ernstige vorm van spasticiteit ontwikkelen.
'Maar voor de middengroepen zijn de verwachtingen niet goed te voorspellen. Letsel dat op de MRI-scans van vlak na de geboorte nog duidelijk zichtbaar was, kan na anderhalf jaar spontaan zijn hersteld. Dan zijn nog wel de littekens te zien. Ook is er niet altijd een duidelijk verband tussen de hersenbeschadiging en de functionele beperkingen. Kennelijk is de plek van de beschadiging ook belangrijk voor de motorische beperkingen van het kind.'
Savelsbergh: 'We hopen op grond van de resultaten beter te kunnen voorspellen hoe PVL-kinderen zich zullen ontwikkelen en, belangrijker, wat je kunt doen met bijvoorbeeld fysiotherapie om de motorische ontwikkeling zo veel mogelijk te ondersteunen.'
uit: De Volkskrant, zaterdag 1 augustus 1998, blz. 7V-Wetenschap.